- Belung Magazine
Deze website maakt gebruik van cookies om uw surfervaring te verbeteren. Door deze site te gebruiken, gaat u akkoord met dergelijk gebruik van cookies. OK, ik snap het Meer informatie

View other editions

“En blaas nu zo hard mogelijk uit” – een kijkje in het werk van de longfunctieanalist

Als ILD-patiënt bent u waarschijnlijk al bekend met longfunctieonderzoeken. U hebt bijvoorbeeld vast al eens zo hard mogelijk in een apparaat moeten blazen, zodat een longfunctieanalist de werking van uw longen kon aflezen van een computerscherm. Maar wat gebeurt er eigenlijk precies wanneer u in zo'n apparaat blaast? En wat zeggen al die mysterieuze grafiekjes over de werking van uw longen? Om deze vragen te beantwoorden en meer te weten over longfunctieonderzoek in het algemeen, hebben we een dagdeel meegelopen met dé specialist op dit gebied: de longfunctieanalist. 

pulmonary_function_technologist_Anita_JansenLongartsen hebben heel veel informatie nodig om een goed beeld te krijgen van uw longfunctie. Een groot deel van deze informatie krijgen de longartsen van de longfunctieanalist. Voor dit artikel ging BELUNG op bezoek bij Anita Jansen, een Nederlandse longfunctieanalist. 

Een groot deel van Anita's werkdag bestaat uit het onderzoeken van de longfunctie van patiënten, onder wie mensen met interstitiële longaandoeningen

“In 1996 begon ik met mijn opleiding tot longfunctieanalist”, vertelt Anita. “In het derde jaar van mijn opleiding werd ik aangenomen door dit ziekenhuis en ik werk hier dus nog steeds.” Een groot deel van Anita's werkdag bestaat uit het onderzoeken van de longfunctie van patiënten, onder wie mensen met interstitiële longaandoeningen (ILD, 'interstitial lung disease').

“De eerste twee patiënten van vandaag komen voor een spirometrietest”, laat Anita weten. “Dat onderzoek noemen we ook wel een 'flow-volumecurve'.” Nadat Anita haar eerste patiënt van die dag heeft begroet en heeft uitgelegd waarom er een nieuwsgierige verslaggever meeloopt, neemt ze de lengte en het lichaamsgewicht van de vrouw op. “We willen het onderzoek zo veel mogelijk standaardiseren. Als we de leeftijd, etnische afkomst, lengte en het geslacht en gewicht van een patiënt weten, kunnen we vrij goed inschatten wat zijn of haar normale longfunctie hoort te zijn. Een 75-jarige vrouw van 50 kg zal namelijk een andere longfunctie hebben dan een 40-jarige man van 90 kg, los van hun eventuele aandoeningen.”

Na het noteren van de lengte en het lichaamsgewicht vraagt Anita haar patiënten altijd of er sprake is van medische aandoeningen of omstandigheden die van belang kunnen zijn. “Ik moet zeker weten dat iemand het onderzoek aankan”, legt ze uit. “Stel dat iemand recent geopereerd is, dan kunnen we bepaalde longfunctieonderzoeken niet doen omdat die dan te risicovol zijn.” Voordat het daadwerkelijke longfunctieonderzoek kan beginnen, vraagt Anita haar patiënten of ze die dag hun medicatie hebben gebruikt. Dat kan namelijk invloed hebben op de uitslag. 

Blaaspijpje

SpirometerNa alle voorbereidende stappen is het tijd voor de spirometrie. De spirometer is een hijskraanachtige constructie waaraan een soort blaaspijpje bevestigd is.

Anita verwijdert het plastic omhulsel van een nieuw mondstuk en bevestigt het mondstuk daarna op het blaaspijpje. “Met een spirometer kunnen we onder andere meten hoeveel lucht de longen in- en uitgaat”, vertelt ze. “In verband met de hygiëne krijgt elke patiënt een eigen mondstuk, dat we na gebruik weggooien.”

Anita vraagt de patiënte om eerst even normaal te ademen door het apparaat. Daarna moedigt ze haar aan om zo diep mogelijk in te ademen, en dan zo hard en lang mogelijk uit te blazen in het mondstuk, het liefst zes seconden of langer. Afsluitend dient de patiënte een keer snel in te ademen door het apparaat. Terwijl de vrouw Anita's aanwijzingen zo goed mogelijk probeert op te volgen, laten de grafieken op het computerscherm zien wat er gebeurt. “In de spirometer zit een sensor”, legt Anita uit. “Die sensor registreert hoeveel lucht er in en uit de longen gaat, en die informatie wordt onmiddellijk omgezet in digitale grafieken.” Op het beeldscherm zien we twee verschillende grafieken. “Deze grafieken noemen we 'spirogrammen'”, zegt Anita. “De bovenste is een volume-tijdcurve. De verticale as geeft de hoeveelheid lucht aan en de horizontale as de tijd. De onderste grafiek is een flow-volumecurve. Daarbij geeft de verticale as de kracht van de luchtstroom, oftewel de 'flow', aan en de horizontale as de totale hoeveelheid in- of uitgeademde lucht.” (Zie afbeelding)

be-spirometer-airflow-belung-magazine De flow-volumecurve. De steile stijgende lijn duidt op een krachtige uitademing, waarna de lucht langzaam verder wordt uitgeblazen. De hierop volgende inademing is te zien onder de horizontale as. Bron: Wikipedia

Anita legt aan de patiënte uit dat ze voor de meest betrouwbare meting drie goede grafieken nodig heeft. “De resultaten stuur ik onmiddellijk door naar de longarts”, vertelt Anita. “Zodra de patiënte hier klaar is, gaat ze langs bij de arts. De arts kan de meetresultaten dan beoordelen en met haar bespreken.”

Op basis van de grafieken kan de arts de longfunctie van een patiënt beoordelen. Bij een patiënt met IPF zal de flow-volumecurve bijvoorbeeld uit een smallere curve bestaan. Dat komt doordat het longvolume door de fibrose is afgenomen (zie afbeelding). Doordat de fibrose er ook voor zorgt dat de longen langer open blijven staan, zal de gemeten luchtstroom hoger zijn dan op een 'normaal' spirogram. 

be-spirometer-flow-volume-belung-magazine Voorbeeld van een mogelijke flow-volumecurve bij iemand met IPF. Vanwege de longfibrose is de curve smaller en de gemeten flow hoger. Bron: Medix Publishers

Gasdiffusie

Nadat Anita bij twee patiënten een spirometrie heeft uitgevoerd, ontvangt ze een patiënt die voor een diffusiemeting komt. “Bij een diffusiemeting kijken we hoe goed ingeademd gas via de longblaasjes in het bloed terechtkomt”, legt Anita uit. Ingeademde zuurstof uit de lucht komt in de bloedbaan terecht vanuit de kleinste onderdelen van de longen, via een minuscuul membraan. Bij sommige mensen verloopt dit proces minder goed. Dat kan bijvoorbeeld komen door verdikking van hun membraan, zoals bij ILD het geval is. “Bij dit onderzoek gebruiken we hetzelfde apparaat als daarnet, alleen open ik nu een schuifje waardoor de patiënt bij het inademen gas inhaleert uit de gasfles die hier staat.” In de onderzoeksruimte staat een gasfles die met slangen gekoppeld is aan het apparaat, die zoals een zuurstoffles verbonden is met het mondstuk van een duiker. Anita legt uit dat er in de gasfles twee verschillende soorten gas zitten: koolstofmonoxide en methaan.

“Ik vraag patiënten eerst zo veel mogelijk lucht uit te blazen”, zegt ze. “Daarna vraag ik ze zo veel mogelijk van het gasmengsel uit de fles te inhaleren, het gas een seconde of tien in hun longen vast te houden, en daarna uit te blazen.” Het onderzoek werkt als volgt. Van het ingeademde gasmengsel wordt het ene gas (het koolstofmonoxide) opgenomen door het bloed, en het andere gas (het methaan) niet. Anita meet hoeveel van elk gas in de uitgeblazen lucht aanwezig is. Door die waarden te vergelijken, kan ze achterhalen hoe goed het koolstofmonoxide uit de longen aan het bloed is afgegeven. Het volgende onderzoek dat Anita ons laat zien is minder ingewikkeld. Het is de zogeheten 'zesminutenwandeltest'.

Zes minuten wandelen

Samen met een opgewekte oudere patiënt zoeken we een lege ziekenhuisgang op. Met wat kegeltjes zet Anita daar een looproute uit. Daarna bevestigt ze een zogeheten 'pulsoximeter' op de vinger van de patiënt. “Met dit apparaatje kunnen we de hartslag en de zuurstofsaturatie van het bloed meten”, legt ze uit. “Bij de wandeltest kijken we hoe ver iemand kan lopen, en in hoeverre de hoeveelheid zuurstof in het bloed daarbij afneemt. Met die informatie kunnen we beoordelen hoe goed iemand alledaagse activiteiten kan uitvoeren. Ook gebruiken we de wandeltest om het effect van medische interventies te beoordelen.”

Sommige mensen met IPF krijgen bijvoorbeeld een fibroseremmer voorgeschreven, die de achteruitgang van hun longfunctie kan vertragen. De arts die zo'n middel voorschrijft, wil natuurlijk weten of de longfunctie van de patiënt er ook echt door stabiliseert. Om dat te controleren, kan de arts de patiënt deze wandeltest laten doen. Tijdens deze test moet de patiënt zes minuten lang wandelen op een vlakke ondergrond. “We vragen de patiënt voor en na de wandeltest hoeveel last hij heeft van kortademigheid. Deze informatie zegt iets over hoe de longen op inspanning reageren.”

De bodybox

BodyboxDe wandeltest is inmiddels klaar en de patiënt mag uitrusten in de wachtkamer. Anita heeft even tijd om ons de benodigdheden voor een ander longfunctieonderzoek te laten zien. “Dit is onze bodybox”, zegt ze, wijzend naar een soort telefooncel met een stoeltje in het midden.

“Met een bodybox kunnen we meten of iemand een beperkte longfunctie heeft.” De patiënt gaat voor deze meting in de cabine zitten. De cabine is volledig dicht, waardoor er een gesloten systeem ontstaat. Dit zorgt ervoor dat de druk in de cabine toeneemt zodra de druk in de longen daalt, wat gebeurt wanneer de longen van de patiënt zich uitzetten. De longfunctieanalist kan dan de zogeheten 'functionele restcapaciteit' (FRC) van de longen meten.

Nadat ze deze laatste meetmethode aan ons heeft uitgelegd, hoeft Anita geen patiënten meer te onderzoeken. Bij een kop koffie bespreken we haar leven als longfunctieanalist. “Ik hou van mijn werk”, vertelt ze. “Ik wilde graag iets doen met technologie, maar ook met mensen werken. Bij longfunctieonderzoek kan ik deze interesses perfect combineren.” Anita komt zelfverzekerd, rustig en professioneel over, maar ze geeft toe dat haar werk ook lastige momenten heeft gekend. “Toen ik net begonnen was als analist, schrok ik er soms van hoe buiten adem iemand kon raken. Als een patiënt het overduidelijk zwaar had tijdens de spirometrie, vond ik het moeilijk om diegene aan te moedigen om nóg langer uit te ademen.”

Dit werk geeft me de kans om met mensen en technologie bezig te zijn. Dat is toch geweldig?

Maar naarmate Anita meer ervaring kreeg, voelde ze zich steeds beter op haar plek. “Nu gaat het me goed af, ook omdat het leeftijdsverschil met de patiënten steeds kleiner wordt. Als je nog maar 22 bent, kunnen patiënten zich afvragen of zo'n wijsneus wel weet wat ze van hen verlangt.” Anita is erg betrokken bij haar werk. “Een van de leukste dingen van mijn baan is dat alle patiënten verschillend zijn. Iedereen heeft een andere benadering nodig. Ook al zijn de onderzoeken hetzelfde, ze worden nooit saai. En dit werk geeft me de kans om met mensen en technologie bezig te zijn. Dat is toch geweldig?”, concludeert ze opgewekt. 


disclaimer
BE/OFE-171214f 04/2018